Bio

Biografie Phil Bates

Ik begon op mijn 11e gitaar te spelen.  De eerste band had geen naam en repeteerde in de Wilnecote Youth Club.  Ik speelde basgitaar, een rode Vox bas. We speelden Shadows, Beatles enz.

Rond mijn 12e ben ik begonnen met mijn eerste echte band genaamd The Wild Four maar veranderde de naam al snel naar The Teenbeats omdat we niet echt wild waren en niet altijd met z’n vieren speelden omdat één van de gitaristen vaak niet kwam opdagen voor een optreden.

In het begin speelden we vaak de klassieke jaren 60 liedjes van The Beatles, The Searchers, The Kinks en The Stones maar zo rond 1967/68 waren we zwaar in wat destijds progressieve muziek werd genoemd zoals Hendrix, Cream, Canned Heat en het vroegere werk van Deep Purple enz. Zelfs optredens in Working Mens Clubs hield in dat we nep luidspeakers vernielden en de drummers cymbals in brand staken. We waren een gezondheid en veiligheid risico!  Ik begon ook Hendrix na te apen door mijn gitaar met mijn tanden te bespelen...idioot die ik was! Ik heb mijn voortanden vernield en heb een sterk vermoeden dat Jimi nooit met zijn tanden de snaren raakte maar stiekem met zijn hand hamerde.

The Teenbeats stopte nadat de bandleden de leeftijd kregen waarin ze  gingen werken en de drank  en de meisjes ontdekten. Mijn volgende band was (tenminste dat vond ik) één van de beste bands van Tamworth, Source of Power.  Ik was zwaar onder de indruk omdat ze de beste instrumenten hadden van alle lokale bands. Jammer genoeg konden ze niet goed spelen ondanks dat ze over het beste materiaal beschikten. Misschien was ik verblind door het dubbele Rogers drumstel, de glanzende nieuwe kersenrode Gibson SG die de gitarist had en de Vox Continental orgel en het geweldige geluidssysteem. Toen ik daadwerkelijk bij de band kwam en we begonnen te repeteren en te spelen bleken het vreselijke muzikanten te zijn. Maar ach, ik was 15/16 en werd verblind door de uiterlijke schijn.  Daarna zat ik bij de vreemde en experimentele Lichfield band. Nigel speelde zijn eigen geschreven bluesy muziek en we hadden tevens muzikale ambities naar jazz. Het heeft niet lang geduurd. Jaren later toen ik ‘Spinal Tap’ het basgitaar jazz odyssee zag spelen deed het me denken aan Nigel Parker.

Toen ik 16 was ging ik werken in een  muziekwinkel in Birmingham, Ringway Music. Daar kwam ik in contact met veel bandjes en muzikanten. Door mijn werk kwam ik bij de Wolverhampton heavy metal band ‘Jug’ en speelde de basgitaar. Ik heb nog steeds een zwak voor de bas. We deden veel optredens in the Black Country en een aantal noemenswaardige optredens in de Electric Gardens in Glasgow als supporting act voor bands als Slade, Status Quo, Mungo Jerry en Sensational Alex Harvey Band. Dit was een onstuimige tijd en plaats en we hebben daar een aantal geweldige optredens gehad.

Het was de eerste keer dat ik speelde voor een groter publiek. Zaterdagavond waren er  zeker 1000 mensen in de zaal. Ik leefde mijn rock droom  met mijn lange haren en zong ‘Big Black Dog’ en ‘Natural Born Boogie’ van Humbe Pie. Ik at mijn eerste Indische curry in Glasgow en beleefde nog een aantal memorabele eerste keren. 

 Jammer genoeg was deze leefstijl niet goed voor mijn gezondheid. Ik werkte 5 dagen in de week en speelde zoveel mogelijk avonden en nadat ik ingestort was moest ik Jug helaas verlaten.  Wat volgde was een totaal onverwachte verandering in mijn muzikale richting.

In 1970 had ik de heavy metal band Jug verlaten en kwam bij de cabaret/folk groep Enigma dat was losjes gebaseerd op de New Seekers. Een net en beschaafd familie entertainment en lichtjaren verwijderd van Electric Gardens. Zelfs ik was verbaasd over mijn besluit maar ik moet wel eerlijk toegeven dat het feit dat zij een platencontract hadden bij Morgan Music in London, mijn besluit heeft beïnvloed. Ze hadden tevens toegang tot de Morgan Studios in Willesden High Road, destijds één van de beste studio’s in London.

Dit was mijn eerste echte ervaring in een studio en de mogelijkheid om een aantal zelfgeschreven liedjes op te nemen was een bonus. Ik schreef samen met andere bandleden een aantal tracks maar kon ook  mijn eerste twee zelfgeschreven composities  ‘Wouldnt it be nice’’ en ‘Season of Sunshine’ opnemen met professionele sessie muzikanten, strijkers enz. Helaas leidde dit alles tot niets behalve een ontmoeting met Joy Strachan met ik wie ik na 40 jaar nog steeds bevriend ben.

Ook speelde ik geregeld in Birmingham’s eerste bierkelder in Needless Alley. Hier gebeurden wilde dingen omdat Brummies, gewend om grote hoeveelheden bier te drinken, niet gewend waren aan het veel sterkere Duitse Lowenbrau bier. We speelden Duitse hoempa pa muziek maar de accordeonist was een rebel en hij begon jazzyer en meer rock liedjes te introduceren in het repertoire. Ook dit was een goede muziekopleiding maar ik vertrok nadat men eiste dat wij in lederhosen zouden optreden.

Gedurende deze periode transformeerde Enigma naar Quill en maakte een belachelijke plaat genaamd ‘Spent the Rent’ bij het Parlophone label. (ik dacht dat dit een voorteken was omdat Parlophone het label was van mijn all-time favoriete band The Beatles ).

Quill was een redelijk vernieuwende band omdat er soms een viool, ukelele en mandoline werd gebruikt. We waren redelijk populair in het live circuit maar onze platen werden niet gekocht. Een voordeel was dat ik in 1973 Oost-Duitsland bezocht. We deden een 12-daagse tour in dit communistisch land als onderdeel  van een internationaal jeugd festival. Ik realiseerde mij toen niet dat dit het begin zou zijn van een lange relatie met Duitsland en met name Berlijn.  Het was een geweldige tour met als enige minpunt dat ik al in het begin erg ziek werd nadat ik door een paar plaatselijke jongeren  werd meegenomen om de lokale beruchte (en gevaarlijke) Korn jenever te drinken. Ik heb mij de hele tour beroerd gevoeld en zelfs lange tijd daarna. Ik was gewaarschuwd maar ja, ik was 19 en dat is wat je deed op die leeftijd.

Quill kreeg de kans ‘Billy, don’t be a hero’op te nemen maar wees dit aanbod af omdat een aantal bandleden zich wilden focussen op origineel materiaal. Dit nummer werd een hit voor Paper Lace.  Ok, het was een draak van een plaat maar ik wilde graag een hit zodat we de band op een ander  niveau konden presenteren. Ik had niet het gevoel dat het eigen materiaal van de band goed genoeg was voor succes en dus verliet ik de band in 1974 zodat ik mij kon focussen op mijn songwriting. 

In 1974 kreeg Ik de kans bas te spelen voor Duane Eddy tijdens zijn UK tour. Duane was in die periode niet bepaald het snoepje van de maand zodat we bijna elke avond twee optredens moesten doen. Een vroeg optreden in een pub en een laat optreden (soms heel ver weg) in een nachtclub.  We hadden geen roadies zodat we zelf alle apparatuur moesten opzetten en na het optreden weer moesten afbreken, het maakte niet uit hoe laat het was. Ook was er geen budget voor een hotel zodat we in de wagen moesten slapen als we te ver van Birmingham waren om terug te rijden. En de volgende dag deden we het opnieuw. Hoezo luxe!?!?

In 1974 tekende ik ook een solocontract bij Spark Records en Southern Music.  En weer mocht ik een aantal eigen liedjes opnemen met sessie muzikanten en strijkers maar die periode leverde maar 1 single op onder de sullige naam Billy Bates. Het was een soort Gilbert O’Sullivan imitatie genaamd ‘Mr Hand me Down’ maar werd wel gedraaid op de radio.

Ook kreeg ik de opdracht een kinderplaat te schrijven en op te nemen genaamd ‘We love Bengy the Bear’. Ook deze plaat werd redelijk veel gedraaid maar leek eigenlijk teveel op de Wombles.

Een technicus bij Southern Music  was een man genaamd Colin Thurston, hij werd later een succesvol platenproducer, en werkte veel met Duran Duran, Human League, Kajagoogoo en vele anderen. We hebben samen heel veel tijd doorgebracht in de 8-track kelder studio van Southern Music waar we hele weekenden bezig waren met het recreëren van Beatle tracks, opnemen van origineel materiaal enz.  Eigenlijk leerden we gewoon ons vak. Hij heeft zijn vak duidelijk beter geleerd dan ik want hij werd rijk en beroemd. Maar het was een goede tijd. Colin was een vreemde vogel maar erg aardig en ontzettend getalenteerd. Ik heb veel van hem geleerd. We speelden alle instrumenten zelf zodat ik de drums, Hammond orgel, bas en gitaar speelde op deze tracks.

In 1975 werd de single ‘Take to the mountains’ uitgebracht en weer onder de beschamende naam Billy Bates Company en in 1976 een dubbele A kant single bij BBC Records.  Twee Beatle songs, ‘Come Together’ en ‘Dear Prudence’,  onder de naam Graffiti. Graffiti , waren in feite ikzelf,  Colin Thurston, Colin Hewnison (speelde later bij  Trickster) en  Wombles drummer, Morgan Kent.

Ook nu werden beide singles redelijk veel gedraaid door de BBC Radio en kregen we een lovende review in the Melody Maker  maar geen verkoop.  Ik werd ook  gevraagd deel te nemen aan een BBC televisie serie waarin ik en de band liedjes zouden zingen en andere dingen zouden doen maar het idee ging uit als een nachtkaars,  Mijn droom leven als TV ster  stierf helaas een vroege dood. Cést la vie.

In de zeventiger jaren heb ik in de Londons platen scene veel sessies gespeeld als gitarist en zanger en ook als geluidstechnicus. Ik speelde mee op verschillende Billy Ocean tracks, maakte de muziek van de Jeans On  televisie reclame en  jingles in de grote studio’s van London, Advision en Abbey Road. En hoewel ik altijd een socialist ben geweest was ik niet een groot vakbond man en zeker niet van the Music Union die destijds weinig deed om de rockmuzikanten te helpen, te beschermen of hun belangen te behartigen.  Om deze reden deed ik heel veel sessies voor minder dan het vakbond loon. Dit maakte het wel aantrekkelijk voor anderen om me in te huren.

Trickster werd in 1976 geformeerd uit een band die 12 maanden speelde in een restaurant in Piccadilly Circus London. De formatie bestond uit: ikzelf – gitaar/lead zang, , Colin Hewinson – keyboards/zang, Mike Sheppard – bas, gitaar en zang, Paul Elliot – drums.

Onze eerste platencontract was met United Artists – eerste single ‘To Flyaway’. Eerste album, ‘Find the Lady’ opgenomen in de Rockfield Studio in Monmouth. Geproduceerd door de legendarische producer wijlen Martin Rushent. Na de opnames van dit album tekenden we bij Jet Records, het label van ELO, Roy Wood enz.

Het eerste album ‘Find the Lady’ werd in 1978 uitgebracht.  Het management van Trickster werd overgenomen door de fameuze Don Arden. We hebben voor verschillende artiesten het voorprogramma gespeeld zoals John Miles en Smokie.

Door onze Jet Records/Don Arden connectie werden we gekozen om in het voorprogramma van ELO te spelen in hun 1978 ‘Out of the Blue’ Spaceship World Tour. Gedurende het Amerikaanse gedeelte van de tour implodeerde Trickster door drugsgebruik, ego’s en de waanbeelden die men had over rock en roll en alles daarom heen.  Superster gedrag en overmatig gebruik van alles voerde de boventoon en voornamelijk door Mike Sheppard, die de band vlak voor het einde van de tour verliet.  ‘If that’s the way the feeling takes you’ was een mini-hit in de VS.

In 1979, trokken we de zeer getalenteerde zanger/gitarist/liedjesschrijver Mike Groth aan en  John Fincham als basgitarist en zanger.

Het tweede album ‘Back to Zero’, we produceerden het zelf, kwam uit in 1979. ‘I’m Satisfied’ was een kleine hit en werd veel op de radio gedraaid. Maar Jet Records besloot (in hun twijfelachtige wijsheid) om de zevende single van  ELO’s Out of the Blue te promoten in plaats van I’m Satisfied.

Ook waren we 1979 het voorprogramma voor Boston’s Europese tour. De bandleden van Boston waren zeer aardige jongens, zeker de helaas al overleden leadzanger Brad Delp.

In 1980 werd Trickster zonder pardon gedumpt door Jet Records. We hadden al demo’s en zes masters opgenomen voor onze derde album.  Don Arden was het hier niet mee eens en dit had als gevolgd dat we Jett Records, inmiddels vertrokken naar Amerika , voor de rechter moesten slepen.  We werden geadviseerd dit niet toen omdat hoewel we zouden winnen het ons een fortuin zou kosten (wat we niet hadden) en het veel langer zou duren dan de 2 jaar die we nog hadden volgens het contract. Dus moesten we door de zure appel heen bijten, uit elkaar gaan en ons eigen ding gaan doen.

RCA was geïnteresseerd om Trickster te contracteren maar wilden niet ingaan op de belachelijke eisen en voorwaarden van Arden. Verschillende songwriting projecten met Colin Hewinson en Mike Groth leidde tot niets.

Gedurende 1980/81 werkte ik een aantal keer als technicus voor de producer Coin Thurston. Ik was bij de eerste opnamesessies van Duran Duran in de Abbey Road Studio 2.

In 1981 kwam mijn geliefde broer David (Basher) om bij een verkeersongeval en ging ik terug naar de Midlands om dichter bij mijn ouders te zijn.

Eind 1980 kwam ik weer bij Quill en hier ontmoette in mijn vrouw Jo. In 1983 vertrok ik bij Quill en richtte samen met Jo, Don’t Panic op. We waren voornamelijk bezig met tekstschrijven en opnemen in onze eigen huisstudio. We hadden niet heel veel succes maar tekende wel een  publishing deal met RCA/Arista in Los Angeles.

In 1987 kregen we de kans voor twee maanden met een band in het Metropolitan Hotel in Dubai te spelen. We waren mei 1987 terug in Engeland.  Jo en ik vertrokken in november 1987 naar het Plaza Hotel in Dubai als onderdeel van de band Arena. Nadat begin 1988 dit contract was afgelopen besloten Jo en ik in Dubai te blijven en begonnen een lange en heel gelukkige periode als duo in het Ramada Hotel. In 1989/90 gingen we naar Le Meridien in  Abu Dhabi, eerst als duo, later als managers van de Carousel  nightclub. We waren ook  co-host bij een wekelijkse  radio show van Capital Radio, Abu Dhabi.

Don’t Panic was in 1990 weer terug in het Ramada maar slechts voor een korte periode omdat de 1e Golfoorlog uitbrak en wij in augustus onze naam geen eer aandeden en  in paniek terug naar Engeland gingen.

Onze geweldige en geliefde dochter Rosie werd geboren in 1991. Na onze terugkeer in Engeland gingen we in Malvern wonen en gedurende 1991/93 werkte ik veel als solist in Worchester. Ik schreef ook veel radio jingles en zong in de Old Smithy, Worcester en voor BRMB in Birmingham. Gedurende de periode in de Old Smithy was ik betrokken bij het schrijven en opnemen van het album ‘Power’ van de band Atlantic. Dit album werd zeer goed ontvangen maar was geen commercieel succes. Ik werd door het Classic Rock tijdschrift uitgeroepen als één van UK’s top vocalisten voor mijn bijdrage op dit album.  

Tijdens deze periode werkte ik veel voor de Worcestershire Education Services en gaf daar instrumentale workshops, songwriting workshops en educatie projecten, en schreef de muziek voor verschillende dansprojecten.

Onze tweede geweldige en geliefde dochter Sarah werd geboren in 1993. Eind 1992 ontmoette ik een oude vriend uit de ELO/Jet Records periode,  Kelly Groucott, en hij vroeg  mij mee te doen met  ELO Part 2, een project samengesteld door  Bev Bevan nadat  Jeff Lynne besloten had zijn ElO’s carrière niet te hervatten. Van 1993 tot 1999 hebben we veel tours gedaan….heel veel tours in USA, Argentinië, Brazilië, Chili, Peru, Canada, UK, Duitsland, Polen Tsjechië, de 3 Baltische staten, Zuid-Afrika, Dubai, Australië, New Zeeland, Singapore, Scandinavië.....Ik zal er wel een aantal vergeten zijn.

In 1994 brachten we het album ‘Moment of Truth’ uit. Het album was geen overweldigend succes en ik hoop dat dat niets te maken heeft met het feit dat ik het merendeel van de nummers heb geschreven ...maar je weet nooit! Dit ‘live’ album werd opgenomen tijdens de 1995 ‘One Night’ tour in Australië en uitgebracht in 1995. Ik was co-producer en co-mixer van dit album samen met Chris Tsangerides in Trinidad ....waardoor ik dus thuis de 1995 FA Cup Finale miste. Dus in plaats van omgeven te zijn door lege bierblikken, chips enz. zat ik alleen in een vreemd land en voelde mij pissig en eenzaam terwijl ik het album afmaakte. Van iedereen die betrokken was bij dit album was ik degene die het langst en hardst heeft gewerkt en dit werd niet door iedereen op prijs gesteld, beloond of erkend. Chris en ik hebben heel hard gewerkt het album goed te laten klinken (en eerlijk gezegd klinkt het niet geweldig) nadat Stefan Galfas, die verantwoordelijk was voor alle geluidsopnames, compleet faalde in  het opname proces in Melbourne. Maar wel de euvele moed had zichzelf de Executive Producer te noemen! Ik zal niet zeggen hoe ik over Galfas denk omdat ik dan aangeklaagd word voor laster maar er komt een tijd dat het mij niets uitmaakt maar waarschijnlijk kan het dan niemand meer schelen.

Gedurende mijn tijd met ELO Part 2 bracht ik ook twee solo cd’s uit; ‘Naked’ in 1996 en  ‘Agony and Ecstasy’ in 1998. Ook heb ik een aantal solo tours gedaan in 1996/97/98 in UK en Duitsland waar soms  Mik Kaminski aan meedeed.

Na 6 jaar touren met de band was ik het behoorlijk zat om zo vaak  van mijn gezin weg te zijn en niet geweldig betaald werd als compensatie om mijn dochters niet te zien opgroeien.  Dus  ik verliet ELO Part2 in 1999.

Ik maakte kort deel uit van the Eleanor Rigby Experience en deed twee tours in 1999 en 2000 en maakte een album in 1999. Het was niet een hele geweldige ervaring maar ik had in ieder geval met Clive Bunker gewerkt. Clive Bunker was de originele drummer van Jethro Tull, een geweldige drummer en aardige vent.

In 1999 begon ik met een  BA Honours studie in geschiedenis  aan de universiteit in Wales, Lampeter. Ik moet zeggen dat mijn 4 studiejaren één van de gelukkigste periodes uit mijn leven was en ik had een fatsoenlijke graad van 2:1, wat niet slecht is voor een domkop zoals ze mij vroeger op school noemden. En ook niet slecht voor een  ‘greasy dago’ . Sorry, ik wil niemand beledigen maar dit was een van ‘lieflijke’namen die de hoofdmeester mij gaf.  

Tijdens mijn studieperiode had ik verschillende baantjes. Ik deed nog steeds solo optredens en soms een optreden met Jo maar ik heb ook een tijd boeken verkocht, ik had zelf mijn eigen boekenkraam in een grote winkel.  En ik heb in een call centre gewerkt waar ik zonder veel succes probeerde bijlessen te verkopen aan scholieren op de middelbare school die extra hulp nodig hadden.  Ik gaf ook workshops in muziek, songwriting en band repetitie in Herefordshire en Shropshire en gaf wat gitaarlessen maar ik ben helaas niet een heel goede gitaarleraar.

Nadat ik mijn graad haalde in 2003 ben ik onmiddellijk begonnen met lesgeven in Welsh geschiedenis aan de eerstejaars studenten van de studie die ik zojuist had gehaald totdat de muziek mij weer riep.

Ik werd gebeld door een vriend en Duitse promotor Ernst Albrecht Scholz die voorstelde een project samen te stellen gebaseerd op de muziek van ELO en zo werd ELB (Electric Light Band) geformeerd. In 2003 bracht ik ook ‘Alter Ego’ uit, een album gebaseerd op liedjes en ideeën die ik had tijdens mijn studie. Ik had de afgelopen 5 jaar niet echt liedjes geschreven maar deze liedjes en de opnames daarvan waren een goede alternatieve therapie voor de studiejaren en alle baantjes die ik tegelijkertijd had gehad. Later dat jaar belde Bev Bevan mij en werd ik lid van de Bev Bevan Band met ikzelf als gitarist/zang - Bev Bevan - drums - Neil Lockwood – keys/zang en Phil Tree - bas/zang.  Nadat het duidelijk werd dat de Bev Bevan band niet veel zou werken veranderden we het in Bev Bevan’s Move. We namen afscheid van het rock/blues repertoire en deden meer Move songs.  We hadden behoorlijk veel optreden in de Midlands en een paar UK tours maar zetten niet bepaald de wereld op zijn kop. In deze periode werd de band gevraagd deel te nemen aan een nostalgisch look boek van de muziek scene in de jaren zestig in Birmingham, een soort van stage show genaamd  ‘Brum Rocked’. Hier deden een assortiment van Brummy muzikanten uit het verleden aan mee en hoewel het een grote hit bij het publiek was, was het  muzikaal gezien een grote chaos.

Mijn vierde solo CD,‘One Sky’ kwam uit in 2005.

In 2007 kwam ik samen met enkele vrienden van  ELO Part2 in the Orchestra. Tussen 2007 en 2011, toen ik de band verliet, deden we tours in Engeland, Duitsland, Polen, Oekraïne, Siberië, Rusland, de Baltische staten, Tsjechië, Scandinavië  en een paar optredens in de VS.

In 2007 bracht ik een soort van ‘Best of ...’ uit, mijn  4 solo cd’s en een album genaamd  ‘Retrospektiv’.

In een poging mijzelf te bevrijden van de ELO-madness, richtte ik Beatles, Blues and Blue Violin op met Mik Kaminski en  Tina McBain in 2009. We deden  tussen 2009 en 2011 vier Uk tours die varieerde in lengte en succes.  Mik Kaminski en ik deden in 2011 ook 2 tours in Duitsland onder de naam  ‘Blue Violin’.

Het BBBV album werd in 2010 opgenomen en uitgebracht. Ook was ik in 2010 bezig met een project genaamd Wheels of Fire met :- Clive Bunker - drums, Mark Stanway - keys en Brian Badhams - bas / zang. In dit project zong de band liedjes van Clapton, Hendrix, Beck, Led Zeppelin, Free, Gary More, Peter Green enz ....muzikaal gezien was dit project mijn favoriet maar het lukte niet. Misschien omdat we allemaal ook andere verplichtingen hadden met onze andere bands en projecten en we ons niet voor de volle honderd procent konden inzetten.

In 2011verliet ik the Orchestra  en begon met de Duitse projecten ELO Klassik en Music of ELO – 2011. ELO Klassik is een 10 koppige band inclusief een strijkerskwartet en met mijn vrouw Jo op keyboard en zang. The Music of ELO bestaat uit 6 personen met : ikzelf  – gitaar/zang, Ralf Vornberger – bas/zang, Joanna Bates – keys/zang, Eric Herrold – keys, Chris Evans – drums en Susan Filep, die al sinds 2006 bij mij is met de viool.

Tussen 2011 en 2013 hebben we uitgebreid getourd in Duitsland, Polen , Oostenrijk, Zwitserland en Tsjechië.

Voor 2014 staan tours op de planning in Zuid-Afrika en Rusland en optredens in Engeland, Nederland en  Scandinavië.

In 2013 begon the Phil Bates Trio. Dit is een akoestisch project met Joanna Bates en  Susan Filep waar we akoestische arrangementen spelen van ELO  en ook klassiekers van The Beatles, Stevie Wonder, Jimi Hendrix ..en Keltische en Hongaarse stukken.

 

Bron: Phil Bates

Vertaling: Margot Scholtens / Yvonne Rook

 

 

© 2016 Phil Bates